October 28, 2022

Van den Bosch vs. FNV: de tussenstand na negen jaar procederen

Op vrijdag 14 oktober 2022 heeft de Hoge Raad der Nederlanden uitspraak gedaan in de kwestie tussen Van den Bosch (en gelieerde ondernemingen) tegen FNV Bondgenoten. In deze zaak gaat het onder andere om de vraag of de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op internationale transporten, en zo ja, wanneer er in het licht van deze richtlijn wel of niet sprake is van detachering. Dat is geen gemakkelijke vraag om te beantwoorden,niet voor juristen, maar zeker niet voor transportbedrijven en werknemers. Niet voor niets wordt er in deze kwestie tussen Van den Bosch en FNV al negen jaar lang geprocedeerd, tot de Hoge Raad en het Europese Hof van Justitie aan toe.

 

In november 2013 is FNV een procedure begonnen tegen de Hongaarse, Duitseen Nederlandse ondernemingen van Van den Bosch Transporten. In die procedure stelde FNV zich op het standpunt dat Van den Bosch de charterbepaling uit de Nederlandse cao niet goed zou naleven. In die charterbepaling staat namelijkdat een Nederlands transportbedrijf met buitenlandse charters (ondervervoerders) moet afspreken dat de werknemers van die charters een aantal basis voorwaarden uit de Nederlandse cao betaald krijgen “voor zover dit blijkt uit de Detacheringsrichtlijn”. Conform dit cao-artikel moet dus eerst bepaald wordenof de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op de betreffende werknemer(s)die gedetacheerd worden. Is dat het geval, dan geldt er een contracteer- eninformatieplicht van het Nederlandse transportbedrijf richting de charter enzijn werknemers.

 

"Op het grondgebied"

De Detacheringsrichtlijn bepaalt dat als een werknemer uit de ene lidstaat wordt gedetacheerd “op het grondgebied” van de andere lidstaat, dat die werknemer recht heeft op een aantal basis-arbeidsvoorwaarden van dat land. De vraag diein deze procedure dus centraal staat, is wat er moet worden verstaan onder de term “op het grondgebied” van een lidstaat. Immers, in de internationale transportbranche wordt er niet op het grondgebied van één lidstaat gewerkt,maar op het grondgebied van (veel) verschillende lidstaten.

Eerste uitspraak Van den Bosch vs. FNV in 2015

In januari 2015 volgde de eerste uitspraak in deze kwestie tussen Van den Bosch en FNV, van de kantonrechter in Den Bosch. Van den Bosch betoogde datde Detacheringsrichtlijn alleen van toepassing zou zijn als een buitenlandse chauffeur een specifieke opdracht “uitsluitend of in hoofdzaak op het grondgebied van Nederland zou verrichten”. Geen gekke gedachte. FNV betoogde daarentegen dat er niet zoletterlijk gekeken moest worden naar de vraag “waar” de chauffeurs hun werkzaamheden verrichten, maar “van waaruit” zij dat deden. Oftewel: waar lag, gedurende de periode van detachering, het hoofdkwartier van waaruit die chauffeurs hun werk verrichtten. De kantonrechter was het eens met FNV en oordeelde dat de Detacheringsrichtlijn ook van toepassing is wanneer de (transport)werkzaamheden “vanuit” een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlands grondgebied plaats.

Hoger beroep

Van den Bosch ging tegen deze uitspraak in hoger beroep. Bijna tweeënhalf jaarlater, in mei 2017, volgde daarom de tweede uitspraak in deze kwestie. Dit maal van het Gerechtshof in Den Bosch. Ook hier ging het dus weer om diezelfde vraag of er – zoals door Van den Bosch werd betoogd – naar de letterlijke tekst gekeken moest worden voor uitleg van het begrip detachering “op het grondgebied van een lidstaat” of dat dit gelezen moest worden als detachering “op of vanaf het grondgebied van een lidstaat”, zoals FNV stelde. Het Gerechtshof had daarover een andere mening dan de kantonrechter en oordeelde (kort gezegd)dat de Detacheringsrichtlijn in dit geval niet ziet op internationale transportdiensten van goederen, maar alleen op nationaal transport. Detachering“ op het grondgebied van een lidstaat” moest volgens het Gerechtshof dus zo uitgelegd worden dat dit letterlijk op het grondgebied van één lidstaat zouzijn, of in elk geval in overwegende mate op het grondgebied van die lidstaat. Van den Bosch kreeg in hoger beroep dus gelijk: de Detacheringsrichtlijn was op hun werkwijze niet van toepassing en op grond van de charterbepaling uit de caobestond er geen contracteer- en informatieplicht richting de charters en buitenlandse werknemers.

 

“De Hoge Raad vond voor beide standpunten wat te zeggen”

FNV ging vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad tegen deze uitspraak. En zo volgde ongeveer anderhalf jaar later, in november 2018, de derde uitspraak in de kwestie tussen Vanden Bosch en FNV. De Hoge Raad vond echter dat voor beide standpunten wat te zeggen was. Enerzijds was het denkbaar dat er niet alleen naar de letterlijke tekst gekeken moest worden van detachering “op het grondgebied” van een lidstaat, maar dat het ook zo zou kunnen zijn dat dit breder uitgelegd kon worden als detachering “vanaf ofvanuit het grondgebied” van een lidstaat. Daarentegen vond de Hoge Raad het ookgoed mogelijk dat er wellicht toch een bepaalde “nauwe band” zou moeten bestaantussen de werkzaamheden van de werknemer en de lidstaat waar hij naartoe wordt gedetacheerd of dat daarbij aan een bepaalde voorwaarden moet worden voldaan, zoals bijvoorbeeld een minimum aantal aaneengesloten dagen arbeid op datgrondgebied.

Uitleg nodig van Europese Hof

De Hoge Raad besloot daarom het Europese Hof van Justitie om uitleg te vragen alvorens zij zelf uitspraak zou doen. Hoe moet die Detacheringsrichtlijn in het geval van internationale transportdiensten nou precies toegepast worden? En dat leidde zo’n twee jaar later, in december 2020, tot de vierde uitspraak. Het Europese Hof beantwoorddede vraag van de Hoge Raad als volgt: een werknemer kan op grond van deDetacheringsrichtlijn alleen als gedetacheerd op het grondgebied van eenlidstaat worden beschouwd, als de werkzaamheden van die werknemer een “voldoende nauwe band” hebben met die lidstaat. Daarbij is van belang in welke mate die werkzaamheden verband houden met het grondgebied en welk aandeel dit heeft in de betreffende internationale transportdienst als geheel. Relevante werkzaamheden daarvoor zijn bijvoorbeeld laden, lossen en het schoonmaken vande vrachtwagens, maar alleen als deze werkzaamheden ook daadwerkelijk (in die lidstaat) door de werknemer zelf worden uitgevoerd, en dus niet door derden. Dat de chauffeurs tijdens het uitvoeren van de transportopdrachten (een deel van) hun instructies ontvingen op/via het hoofdkantoor in Nederland en daar ook hun ritten begonnen en eindigden, is volgens het Europese Hof niet genoeg om van een “voldoende nauwe band” te kunnen spreken, zeker niet als er ook andere factoren zijn die een andere kant op wijzen. Over deze uitspraak schreef ik in 2020 ook al eens een artikel.

 

“De Hoge Raad toetst alleen of het Gerechtshof de rechtsregelsgoed heeft toegepast”

Na het beantwoorden van deze vraag verwees het Europese Hof de zaak weer terugnaar de Hoge Raad, zodat de Hoge Raad -nu weer bijna twee jaar later - met deze informatie kan beoordelen of FNV wel of niet terecht in cassatie is gegaan tegen de uitspraak van het Gerechtshof. Daarbij is het goed om te weten dat de Hoge Raad geen feitelijke toets uitvoert, maar alleen toetst of het Gerechtshof de rechtsregels wel of niet goed heeft toegepast.

Vijfde uitspraak in negen jaar tijd

En daarmee zijn we nu dan aangekomen bij de uitspraak van de Hoge Raad van afgelopen vrijdag 14 oktober 2022. De vijfde uitspraak tussen Van den Bosch enFNV in deze kwestie, inmiddels bijna negen jaar na de start van het proces. Wat is er in die uitspraak nu precies geoordeeld? Daarvoor blikken we even terugnaar wat het Gerechtshof Den Bosch in mei 2017 heeft gezegd: er is pas sprake van detachering op het grondgebied van een lidstaat, indien de werkzaamheden inelk geval “in overwegende mate” op het grondgebied van die betreffende lidstaat worden uitgevoerd. Maar op grond van de informatie die de Hoge Raad van het Europese Hof van Justitie heeft ontvangen, is dit dus niet de juiste maatstaf om te bepalen of er wel of geen sprake is van detachering “op het grondgebiedvan een lidstaat”. Er moet namelijk niet bepaald worden of het werk “in overwegende mate” in die lidstaat plaatsvindt, maar er moet aan de hand van relevante factoren bepaald worden of er sprake is van een “voldoende nauweband” met die lidstaat.

Gerechtshof moet huiswerk opnieuw doen

Betekent dit dan dat FNV deze kwestie na al die jaren gewonnen heeft en Van den Bosch verloren? Nee, dat is niet het geval. Ja, FNV is terecht in cassatie gekomen, omdat het Gerechtshof niet aan de juiste maatstaf heeft getoetst, maar dat betekent voor nu alleen maar dat het Gerechtshof haar huiswerk opnieuw moetdoen. De Hoge Raad heeft de zaak daarom terugverwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zodat alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegenelkaar afgewogen kunnen worden om uiteindelijk te kunnen bepalen of er wel of geen sprake is van een “voldoende nauwe band” met Nederland. En zoals het Europese Hof en de Hoge Raad hebben bepaald, is het daarvoor dus niet voldoende dat de chauffeurs instructies krijgen van Van den Bosch in Nederland. Ook is het niet voldoende dat de chauffeurs hun ritten regelmatig beginnen en eindigen in Erp. Daarentegen is wel relevant waar geladen en gelost wordt en voor watdat betreft kan ik mij heel goed voorstellen dat dit lang niet altijd in Nederland zal zijn of is geweest, maar juist in heel veel verschillende Europese landen.

 

“Legitieme kans dat Gerechtshof tot dezelfde eindconclusie komt”

Het is dus nog maar zeer de vraag of het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op basis van deze criteria en een nieuwe feiten afweging ook daadwerkelijk tot een andere conclusie komt dan het Gerechtshof Den Bosch. Er is een legitieme kans dat dit Gerechtshof – nadat zij de gronden en feiten afweging heeft gecorrigeerd –alsnog tot dezelfde eindconclusie zal komen, namelijk dat er in het geval van Van den Bosch en de charters geen sprake is van detachering “op het grondgebied” van Nederland. Over een jaar of twee zullen we het weten.

NB: In al deze uitspraken tussen Van den Bosch en FNV spelen nogmeer interessante rechtsvragen, maar ik heb mij voor dit artikel alleen beperkttot de rechtsvraag of de Detacheringsrichtlijn van toepassing is opinternationale transporten.

Auteurs

Michelle Vrolijk
Partner
Pays-Bas

Verwante insights

De bomen in het bos van de urenverantwoording: corrigeren versus normeren

Every transportation company has to deal with this every month: accounting for hours and paying drivers.

Lees meer

ITL Attorneys wederom een toonaangevend advocatenkantoor in transportrecht volgens legal500

We are happy to announce that ITL Attorneys is ranked as “Leading Firm” in the 2024 Legal500: industry focus: Transport

Lees meer